Ik liep al even rond met een idee voor een column. Of, reed eigenlijk. Want het onderwerp wat ik in gedachte had was ‘langzame chauffeurs’ en op de een of andere manier krijg ik telkens als ik in de auto zit nieuwe inspiratie. 

Na alle verhuizingen vorig jaar zijn mijn reistijden langer geworden, helaas, want ik vind autorijden helemaal niet leuk. Opzich is het autorijden niet zo’n probleem, het zijn meer de medeweggebruikers. Echt hoor, rijd een beetje door! Nu ben ik zelf ook echt geen snelheidsduivel. Laten we eerlijk zijn. Mijn auto werd gemaakt in dezelfde tijd dat er caps met kinbakjes werden geproduceerd. Dat is inderdaad heul, heul lang geleden. Desondanks val ik niet in de categorie automobilisten die je een duwtje moet geven bij een groen stoplicht en kan ik ook met een normale snelheid invoegen.

Om mijn kilometerstand nog maar eens verder op te peppen ging ik afgelopen weekend naar mijn ouders. Aangezien ze aan de andere kant van Nederland wonen, kon ik 2,5 uur inspiratie voor mijn column opdoen.

Halverwege mijn reis haal ik een auto in. Zo’n super irritant exemplaar die dan opeens harder gaat rijden als je gaat inhalen. Maar terwijl ik op mijn kilometer teller kijk ontdek ik dat hij niet zozeer harder gaat: ik ga langzamer. Eh. Sjonge, er staat echt een harde wind dacht dit naïeve meesterbrein nog.

Als ik bij de volgende traagganger aankom wil ik weer inhalen, ik geef wat extra gas en mijn auto begint te stotteren. Oh dear. Geen rode lampjes, geen overhitte motor, maar wel een auto die aanvoelt als doorzitten op een dravende shetlander. Dus wat doe je dan, als je ergens in de middle of nowhere rijdt én lid bent van de ANWB? Precies. Je vader bellen.

Ik overleg even en besluit op een rustig tempo door te rijden.  Maar na een aantal kilometer dien ik toch een motie van wantrouwen in tegen mijn flegmatische voertuig en parkeer ik hem veilig op een parkeerterrein. De ANWB monteur hoopt er binnen 60 minuten te zijn, niets van gelogen, na 59 minuten komt er eindelijk hulp. Hij loert onder de motorkap, trekt wat kabeltjes los, loopt naar zijn auto en komt terug met een rol duct tape. Waarschijnlijk een probleem met de isolatie van de kabels, hij doet er een stukje tape omheen en ik moet mijn weg maar rustig vervolgen naar mijn eindbestemming. Dat zou ik wel moeten redden.

Afijn. Nu ben ik de laatste die zegt dat ze verstand van auto’s heeft, maar duct tape. Really? Ik ben toch niet helemaal gerust op mijn stuiterbal op wielen (goh..) en bel, terwijl ik topspeed 90 rijd, mijn oude garage op. Gelukkig is er een monteur aanwezig en kan ik even langskomen. Na een half uur moet ik van de grote weg af om bij de garage te komen en dan blijkt pas echt hoe het met de impuls van mijn auto gesteld staat. Niet zo best. Effect van de hulpen? Nihil.

Na de laatste rotonde richting de garage verzamel ik een mooie verzameling auto’s achter me en met een rood aangelopen hoofd rijd ik hortend en stotend, alsof ik op een scooter met 2 lekke banden zit, het terrein van de garage op.

Een column schrijven over langzame chauffeurs? Karma is such a bitch.